Leesfragment: 'De poppenmaker van Krakau'

03-10-2017

In september verscheen The Dollmaker of Krakow van R.M. Romero in Amerika, Canada en het Verenigd Koninkrijk. Vanaf dit weekend kan je dit bijzonder warm onthaalde verhaal dat beschreven wordt als een kruising tussen The boy in the striped pyjamas en Number the stars ook in jouw boekhandel vinden. Maak kennis met Karolina, de levende pop, op het moment dat ze terechtkomt in het atelier van de Poolse poppenmaker.

Leesfragment

In haar nieuwe wereld werd Karolina wakker met een hart van glas. Het was een hart vol rozen en doornen, want al haar gelukkige maar ook al haar verdrietige herinneringen uit het Land van de Poppen waren erin bewaard gebleven. Als ze bewoog, rammelde het tegen haar borstkas van glanzend hout. Karolina bracht een beverige hand naar haar gezicht. Ze voelde meteen dat de barst die in het Land van de Poppen nog dwars over haar wang had gelopen, verdwenen was. Toen ze haar arm liet zakken, zat er op haar vingers blosroze verf die nog vers rook. De vriendelijke wind had gezegd dat iemand in de mensenwereld haar had geroepen. Die persoon, wie het ook was, had vast haar gezicht gerepareerd en haar een glazen hart gegeven.

Karolina keek om zich heen en zag dat ze op een hoge tafel zat, tussen houtkrullen en klosjes lint. Ze was dan wel niet van glas of porselein, zoals sommigen van haar vrienden, maar ze had geen zin om van zo hoog naar beneden te vallen en bleef heel stil zitten om haar evenwicht niet te verliezen. Rechts van haar zag ze een enorm gevaarte dat op een berg leek, al waren de bergen in haar land veel groter. Er hing een lang, ruw doek overheen. Karolina kon zich niet voorstellen wat eronder zat. Aan de andere kant van de kamer was er een groot raam waardoor alleen duisternis te zien was, op het zwakke gele schijnsel van een paar straatlantaarns na. Die waren niet gemaakt van zuurstokken zoals in het Land van de Poppen, maar rezen als dikke, donkere boomstammen op uit de straatstenen.

De wereld daarbuiten zag er niet erg aanlokkelijk uit, maar de kamer waarin ze zich bevond deed Karolina aan haar eigen huisje denken: warm en knus. Alleen was deze winkel – want dat was het, besefte ze – niet volgestouwd met baljurken, jasjes en sjaals, zoals bij haar thuis. Deze winkel stond vol speelgoed. Er waren hele rijen hobbelpaarden waarvan de flanken beschilderd waren met madeliefjeskettingen en herfstbladeren. Er waren planken vol knuffeldieren in alle soorten en maten, allemaal met lachende geborduurde mondjes. En het mooiste was dat er overal poppen waren. Poppen zonder bekraste gezichten of zwartgeblakerde ledematen. Ze zagen er allemaal vredig uit, klaar om liefde te geven en liefde te krijgen. Ze waren veilig.

Maar ze waren niet zoals Karolina. Geen van hen had haar begroet, of zelfs maar bewogen. Het speelgoed leefde niet, het had geen hart, en zoals iedere pop wist Karolina dat alleen wie een hart had, echt kon leven. Eigenlijk was Karolina een beetje jaloers op het verstilde speelgoed, want in haar eigen glazen hart voelde ze op dat moment alleen doffe angst. Ze was helemaal alleen. Waar was de persoon die volgens de vriendelijke wind op haar zat te wachten?

Karolina verstijfde toen ze gestommel van naderende voetstappen hoorde. Achter in de winkel ging een deur open en een man kwam binnen. Hij had een rossige baard, alsof de Morgenster hem bij het ochtendgloren even met haar vingertoppen had aangeraakt, en hij droeg een witte pyjama. Hij wreef in zijn groene ogen terwijl hij op haar af stapte; hij mankte. Van dichtbij kon Karolina zien dat de onbekende geen jongen meer was, maar ook geen oude man. Hij was iets daartussenin. Ze stelde zich voor dat ze nauwelijks groter was dan zijn hand, die onder de verfspatten zat, in dezelfde kleur roze als ze op haar vingers had gezien. Hij was dus degene over wie de wind haar had verteld, degene die haar gezicht had hersteld en haar een nieuw hart had gegeven! De man, de poppenmaker, ging handenwringend op het krukje naast Karolina zitten. Zijn gezicht was nat van de tranen, en op zijn bleke wangen zaten vlekken die rood en nijdig waren als oorlogskreten.

‘De Grote Oorlog was twintig jaar geleden’, mompelde de poppenmaker voor zich uit. ‘Het is 1939. Ik ben in mijn eigen huis in Krakau. Ik ben thuis. Het was maar een nachtmerrie.’

Karolina had er geen moment bij stilgestaan dat er in de mensenwereld ook oorlog kon zijn. Als de poppenmaker een stuk speelgoed was geweest, had ze misschien de juiste woorden gevonden om hem te troosten, maar nu wist ze niet wat ze moest zeggen. Karolina vond het verbluffend hoe mensen zonder nadenken hun verdriet naar buiten lieten komen in de vorm van tranen – het leek wel een tovertruc. Met trillende handen trok de poppenmaker het doek van de berg, die helemaal geen berg bleek te zijn. Het was een prachtig poppenhuis van drie verdiepingen, precies groot genoeg voor Karolina. Ze zou haar hoofd niet tegen het plafond stoten en makkelijk bij de keukentafel of de kleerkast in het zolderkamertje kunnen. De plantenbakken voor de ramen waren rijkelijk gevuld met vilten roosjes, en op de balustrade van het balkonnetje op de tweede verdieping zat een kat met een glanzend zwarte vacht. Dat detail viel bij Karolina bijzonder in de smaak; de kat zou iedere rat die zich in de buurt waagde met huid en haar opschrokken.

De poppenmaker begon de sierlijst van het dak met een fijn mesje af te werken. Zijn hand bewoog zo snel dat die een eigen leven leek te leiden. Hij sneed een soepel, golvend patroon uit dat Karolina aan taartglazuur deed denken. Terwijl de poppenmaker werkte, droogden zijn tranen, en dat herkende Karolina. Zij voelde zich ook altijd beter als ze iets maakte. Alleen wanneer ze niets omhanden had, werd haar verdriet haar soms te machtig. Karolina haalde diep adem. Deze wereld, deze plek … Er hing een vertrouwde geur, van stof en kaneel en gele bloemenvelden. Was ze hier eerder geweest? Ze kon het vreemde gevoel dat haar besloop niet goed verwoorden, al sneed het even diep door haar ziel als het mes van de poppenmaker had kunnen doen. Maar hoe meer ze haar best deed om dat gevoel vast te houden, hoe meer het leek of ze met haar kleine handen een droom probeerde te vangen. Misschien kon de poppenmaker haar vragen wel beantwoorden.

Karolina zette een stap in de richting van het poppenhuis en probeerde te bedenken wat ze ging zeggen. Maar in haar ongeduld struikelde ze over de zoom van haar lange, rode rok. Ze hapte verschrikt naar adem en maaide met haar armen om haar evenwicht terug te vinden. Dat lukte maar net. Zo had ze zich haar introductie niet voorgesteld, maar het was al te laat.

‘Hallo’, zei Karolina dus maar, en ze wuifde. ‘Ik ben Karolina.’ De poppenmaker liet het mes vallen en werd lijkbleek.

‘O nee. Het is zover’, zei hij. ‘Ik word krankzinnig.’

Karolina wist dat de poppenmaker helemaal niet gek was. ‘Er is niets mis met u’, zei ze.

De poppenmaker sprong van zijn kruk en deinsde achteruit.

‘Maar … maar je kunt niet echt zijn. Poppen kunnen niet praten. Ik ben vast oververmoeid … Ik zie spoken.’

‘U ziet er inderdaad moe uit, maar ik zweer dat ik net zo echt ben als u’, zei Karolina. Eigenlijk leek het alsof de poppenmaker hier niet thuishoorde, als enige mens in deze wereld vol speelgoed, terwijl Karolina helemaal op haar plaats was.

‘Maar ik heb jou gemaakt’, zei de poppenmaker. ‘En ik kan geen dingen maken die tot leven komen.’

‘Dat doen tuiniers toch ook met bloemen?’ merkte Karolina op. ‘En u hebt me niet echt gemaakt. Mijn ziel bestond al. U hebt me geroepen, en de wind heeft me naar u toe gebracht. Ik dacht dat u dat al wist.’

‘Ik heb niemand geroepen. Ik probeerde een pop na te maken die mijn moeder ooit had ontworpen, en …’ De poppenmaker schudde heftig met zijn hoofd. ‘O, zit ik hier nou echt tegen een pop te praten? Dit is al te gek.’ Hij leunde tegen de zijkant van de tafel, waardoor de zoom van zijn pyjamabroek een stukje omhoog schoof. Karolina zag dat zijn been gemaakt was van hetzelfde bleke hout als zij.

‘Ik wist niet dat mensen ook van hout konden zijn’, zei ze, en ze hield haar hoofd een beetje schuin om zijn been vanuit een andere hoek te bekijken. De poppenmaker leek te opgelaten om iets te zeggen. Na een lange stilte, waarin alleen het doordringende getik van een klok te horen was, gaf hij uiteindelijk toch antwoord.

‘Alleen dit been is van hout’, zei hij. ‘De rest van mijn lichaam bestaat uit zachter materiaal.’

‘Mag ik uw been zien?’ vroeg Karolina.

De poppenmaker wendde zijn blik af. ‘Het is geen … mooi gezicht’, zei hij. ‘De meeste mensen kijken er liever niet te lang naar.’

‘Waarom niet?’

‘Mensen kijken niet graag naar dingen die kapot zijn.’

‘U bent niet kapot.’ Karolina zette haar handen in haar zij. ‘Ik ben helemaal van hout, en vindt u mij misschien kapot?’

‘Zo had ik het nog nooit bekeken’, zei de poppenmaker. Hij rolde zijn broekspijp op en Karolina zag dat het houten been met vier riempjes bevestigd was aan wat er overbleef van zijn echte been, een stomp in een leren omhulsel. Kennelijk was deze wereld toch niet zo anders dan ze had gevreesd.

‘Ik vind uw been mooi’, zei ze.

‘Dan ben je een van de enigen’, reageerde de poppenmaker. Toen vroeg hij: ‘Ben je echt een levende pop? Je bent … je bent toch geen meisje dat in een pop is veranderd, he?’ Hij wreef het haar dat over zijn voorhoofd gevallen was ongeduldig weg.

‘Ik denk dat ik het nog wel zou weten als ik ooit een mens geweest was’, zei Karolina. ‘Maar voor zover ik het me herinner, was ik altijd al een pop.’

‘Ongelooflijk’, zei de poppenmaker zacht. Hij ging weer op zijn kruk zitten en boog zich voorover, alsof hij elk woord dat Karolina zei in zijn eeltige handen wilde opvangen.

Karolina merkte dat hij over de ergste schok heen was en zei: ‘U zei dat uw moeder net zo’n pop als ik had gemaakt. Wat bedoelde u daarmee?’

‘Mijn moeder maakte graag dingen. Jaren geleden maakte ze een pop die er net zo uitzag als jij, en ze zei dat ik die op een dag aan mijn eigen kind moest geven. Toen mijn moeder na de oorlog doodging, kon ik de pop nergens vinden. Dus probeerde ik ze na te maken.’ De poppenmaker liet een stilte vallen die luider klonk dan alles wat hij had verteld. Daarna zei hij: ‘En toen maakte ik jou.’

Had Karolina de moeder van de poppenmaker gekend? Misschien voelde alles in dit huis daarom wel zo vertrouwd aan. ‘Maakt u daarom speelgoed? Omdat uw moeder het deed?’

‘Misschien. Ik ben er pas mee begonnen toen ik niet kon slapen in het veldhospitaal, nadat ik mijn been kwijt was geraakt.’ De poppenmaker gaf een klopje op zijn knie. ‘Het was iets om me bezig te houden als iedereen sliep. En zo is het nog altijd. Mijn dromen zijn soms nogal … akelig. Een oorlog schud je niet zomaar van je af.’

‘Zulke dromen heb ik ook’, zei Karolina. ‘Soms doe ik mijn ogen dicht en zie ik weer alle vreselijke dingen die in het Land van de Poppen zijn gebeurd.’

‘Het Land van de Poppen?’

‘Daar woonde ik voordat u me riep en ik hierheen kwam’, legde Karolina uit. ‘Naar uw huis in …’ Ze tikte bedachtzaam op haar kin. Had de poppenmaker eigenlijk al gezegd waar ze waren?

‘Krakau’, zei hij. ‘In de Republiek Polen.’

‘Krakau.’ De naam van de stad proefde fris en knapperig op Karolina’s tong, als een stukje appel. ‘Hoe is het hier? Een fijne plek om te wonen?’

‘Ik vind van wel. Ik heb het hier erg naar mijn zin.’ De poppenmaker gebaarde naar het raam. ‘Ik heb een schaalmodel van de stad gemaakt. Wil je het zien?’

Karolina wipte op en neer op haar laarsjes. ‘O ja, graag!’

De poppenmaker kwam naar haar toe, maar toen aarzelde hij en zijn handen bleven boven haar in de lucht hangen. ‘Vind je het goed als ik je optil? Ik wil je niet beledigen. Wie weet vind je het helemaal niet leuk om gedragen te worden.’

‘Ik heb er geen probleem mee. Uw benen zijn veel langer dan die van mij. Ik zou een eeuwigheid nodig hebben om aan de andere kant van de kamer te komen’, zei Karolina. Ze stak haar armen omhoog en de poppenmaker tilde haar van de tafel.

Toen hij naar het raam liep, zag Karolina zichzelf even weerspiegeld in het glas en ze haalde opgelucht adem. De poppenmaker had niets aan haar uiterlijk veranderd: ze had nog steeds dezelfde goudblonde lokken en grote, korenbloemblauwe ogen als in het Land van de Poppen.

‘U hebt mooi werk geleverd’, zei ze tegen de poppenmaker.

‘Bedankt.’

‘Graag gedaan’, zei hij. Daarna veranderde hij gauw van onderwerp en wees naar beneden. ‘Kijk, dit is Klein Krakau.’

 

Meer lezen?

'Magisch en realistisch beklemmend tegelijkertijd. Door de originele verteller is De poppenmaker van Krakau niet het zoveelste boek over de Holocaust, maar een hoopvolle vertelling - tegen beter weten in.'

- Aline Sax

Bestel nu

Alle nieuwsartikelen

 

Copyright © 2017 - Van Halewyck maakt deel uit van Pelckmans uitgevers.
Algemene voorwaarden | Privacy & Cookies